Inleiding

Op grond van de conclusie uit het onderdeel Oriëntatie is een deskundig oordeel nodig: leidt de nieuwe ontwikkeling tot aantasting van de NNNNatuurnetwerk Nederland
Nederlands netwerk van bestaande natuurgebieden, landbouwgronden met natuurwaarde, nieuwe natuurgebieden en ecologische verbindingszones. Het NNN is de basis van het Nederlandse natuurbeleid. Doel: onze flora en fauna beschermen.
? En, zo ja, gaat het om een significanteAantasting van natuurwaarden op de zes hoofdtoetsingsaspecten uit de PRS. Lees verder aantasting? Het onderzoek hiernaar is een taak van een deskundig ecoloog. Deze heeft ook een adviesfunctie: is het plan zó aan te passen dat er juist geen sprake zal zijn van significante aantasting?

We onderscheiden twee soorten ecologisch onderzoek:

  • Het oriënterend ecologisch onderzoek, is een snelle scan waarmee de ecoloog in enkele weken een oordeel kan geven. Voorwaarden zijn wel dat er voldoende ecologische gegevens beschikbaar zijn en dat de geplande ontwikkeling concreet is beschreven. Deze scan kan ook opleveren waar het uitgebreide onderzoek zich met name op moet richten. Daarnaast kan het richting geven aan eventueel noodzakelijke aanpassingen van het plan (bijvoorbeeld de noodzaak tot een meer natuurinclusieve aanpak).
  • Uitgebreid ecologisch onderzoek is nodig als er onvoldoende ecologische gegevens over het gebied beschikbaar zijn of als het ecologisch systeem ingewikkeld is.

Een uitgebreid ecologisch onderzoek kan tijdrovend zijn. De ecoloog is bijvoorbeeld afhankelijk van het jaargetijde, waardoor een onderzoek soms een heel jaar nodig heeft. Daarom is het verstandig om op basis van snel beschikbare gegevens een eerste indruk te krijgen van de haalbaarheid van een gewenste ontwikkeling in het NNN.
U kunt het stroomschema links ook opslaan als pdf (60KB).

Let erop dat de toetsing van meer complexe projecten meestal in een aantal fases plaatsvindt (iteratief proces); startend bij een eerst scan waarop het project zonodig kan worden aangepast, een uitgebreid onderzoek op basis van contour van definitief project en tot slot de complete Nee-tenzij toetsing behorend bij het bestemmingsplan (waarbij de maximale ruimte dat het bestemmingsplan geeft meegenomen is in de toetsing). Dit vraagt om een nauwe samenwerking tussen onder andere ontwerpers, ecologen en planologen. Schakel op tijd de betrokken ambtenaren van de gemeente in. Indien daar behoefte aan is kan de gemeente ook de provincie verzoeken het provinciale beleid toe te lichten en mee te denken in de beoordeling.

Inhoud van dit onderdeel

In het linkermenu ziet u een schema met vragen. De eerste 4 vragen in het menu links ondersteunen de ecoloog bij het oriënterend onderzoek. Leidt het tot de conclusie dat significanteAantasting van natuurwaarden op de zes hoofdtoetsingsaspecten uit de PRS. Lees verder aantasting dreigt? Dan valt significante aantasting mogelijk te voorkomen door:

  • het plan aan te passen;
  • plussen voor de natuur te realiseren;
  • de saldobenadering;
  • herbegrenzing.

Belangrijk is dat de ecoloog deze aanpassingen volledig moet uitwerken en de ecologische haalbaarheid van de nieuwe situatie goed moet onderbouwen.

Zijn ook deze instrumenten niet inzetbaar? Dan is de ontwikkeling alleen nog mogelijk als sprake is van een groot openbaar belang en er geen alternatieven zijn. Er moeten dan wel compenserende maatregelen worden genomen en geborgd.

Vanuit een oogpunt van goede ruimtelijke ordening is het altijd gewenst dat naar mogelijkheden gekeken wordt om het plan te optimaliseren zodat de inpassing in het NNN het beste ‘past’.

Naar boven

Advies: werk met een deskundige ecoloog

In het volgende onderdeel lichten we het vereiste ecologische onderzoek toe. Dit is geen standaard ecologisch onderzoek. Het onderzoek vraagt ook kennis van de Utrechtse benadering en kennis over ruimtelijke ordening. Daarom adviseren wij om een deskundige ecoloog in te schakelen. Dit moet iemand zijn die beschikt over voldoende aantoonbare kennis en ervaring om een ecologisch systeem te analyseren in relatie tot ruimtelijke ordening. Op basis daarvan geeft de ecoloog deskundige adviezen.

De deskundige ecoloog:

  • is opgeleid op hbo- of universitair niveau, met als zwaartepunt (Nederlandse) ecologie;
  • is als ecoloog werkzaam voor een ecologisch adviesbureau, zoals een bureau dat is aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus;
  • zet zich aantoonbaar actief in voor de soortenbescherming en is aangesloten bij en werkzaam voor de daarvoor in Nederland bestaande organisaties;
  • zet zich aantoonbaar actief in voor de monitoring en bescherming;
  • adviseert regelmatig over bestemmingsplannen en de doorwerking daarin van provinciale verordeningen;
  • heeft bij voorkeur eerder meegewerkt aan ruimtelijke plannen waarin de specifieke invulling van het Nee tenzij met de Utrechtse invulling van de wezenlijke waarden en kenmerken opgenomen is;
  • zich professioneel als onafhankelijk ecoloog opstelt, bereid om vanuit deskundigheid als ecoloog zo nodig tot een door de opdrachtgever ongewenst oordeel te komen.

NNN natuur

Vorm een beeld van het Utrechtse beleid

Utrechtse gemeenten hebben voor de planologische bescherming van het NNN te maken met de PRV 2016. Hoewel de PRS voor gemeenten niet bindend is, geeft de provincie daarin een belangrijke toelichting op de provinciale belangenafweging. Deze afweging is vastgelegd in de wel bindende PRV. Voor Natura 2000-gebiedenGroot Europees netwerk van beschermde natuurgebieden dat als doel heeft de Europese biodiversiteit te behouden en herstellen. Voor ingrepen in en buiten dit gebied met mogelijke gevolgen kan op grond van de Natuurbeschermingswet een vergunning van Gedeputeerde Staten nodig zijn. geldt de HabitatrichtlijnEen richtlijn van de Europese Unie (1992) voor de bescherming van bijzondere leefgebieden. Lees verder. als formeel kader en de Vogelrichtlijn voor zover het gaat om de bescherming van soorten. Via de Wet natuurbeschermingheeft de provincie sinds 2017 ook een belangrijke taak in het verlenen van vergunningen en ontheffingen voor N2000-gebieden, zie daarvoor onder andere de verordening natuur en landschap en de Natuurvisie.

Instrumenten

In hun beoordeling kunnen gemeenten gebruikmaken van vier instrumenten:

  • plussen en minnen;
  • saldobenadering
  • herbegrenzing
  • mitigeren en compenseren (als sprake is van een groot openbaar belang en er geen reële alternatieven zijn).

De eerste drie instrumenten worden in het linkermenu toegelicht bij de vraag: Wordt significante aantasting voorkomen met toepassing van 'Plussen & minnen', 'Herbegrenzing' of 'Saldobenadering'?

Het laatste instrument, mitigeren en compenseren, komt in het linkermenu aan de orde bij Is er sprake van groot openbaar belang én ontbreken reële alternatieven?

Naar boven

Signaleringskaarten- viewerSignaleringskaartenviewer

Let op: begin februari worden de kaarten geactualiseerd.

toetsingcriteria

De initiatiefnemer dient de bestaande en potentiele situatie van de toetsingscriteria goed in beeld te brengen voordat de toetsing kan worden uitgevoerd. De toetsingsaspecten worden hieronder nader toegelicht. In de Nee-tenzij toetsing wordt elk toetsing aspect beschreven (huidige situatie) en vervolgens het effect van de ontwikkeling beoordeeld. Let erop dat het bij dit laatste gaat om ontwikkelingen die het nieuwe bestemmingsplan toelaat dus inclusief wijzigingsbevoegdheden etc, Deze effecten kunnen groter zijn dan alleen de effecten van het voorgenomen project. Ga voor alle drie de toetsingscriteria na over er sprake is van aantasting en zo ja of deze aantasting significant is.

Bij de toetsing aan de PRV zijn 3 onderdelen van belang:

  1. Geen significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden, te weten:
    1. Bestaande en potentiele waarden van het ecosysteem
    2. Robuustheid en aaneengeslotenheid van de NNN
    3. De aanwezigheid van bijzondere soorten
    4. De verbindingsfunctie van het gebied voor soorten en ecosystemen
  2. Geen significante vermindering van de oppervlakte van het NNN
  3. Geen significante vermindering van de samenhang van de NNN

  • Geen significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden

    De wezenlijke kenmerken en waarden kunnen worden beschreven aan de hand van een 4-tal aspecten, te weten:

    • Bestaande en potentiële waarden van het ecosysteem

      De nadruk in dit aspect ligt op het functioneren van het (eco)systeem:

      1. Wat verandert er aan het functioneren van het huidige beheertype, inclusief oude boskernen (= bestaande waarden)?
      2. Wat verandert aan de mogelijkheid, het gewenste beheertype te bereiken (= potentiële waarden)?
      3. Wat verandert er aan de omgevingsfactoren die de actuele en potentiële systemen vragen?

      Het ecosysteem kan alleen goed functioneren als de onderliggende omgevingsfactoren goed zijn. Deze factoren worden ook wel de abiotische of milieufactoren genoemd. Denk hierbij aan donkerte, stilte, bodemomstandigheden en – opbouw, grond- en oppervlaktewaterkwaliteit/kwantiteit of kwel. Deze factoren hangen samen met de potenties, maar ook met de actuele waarden. Het gaat om het functioneren van het gehele ecosysteem. De ecoloog moet de actuele en potentiële doelen onderbouwen en specificeren naar het niveau van het project. De informatie in onze provinciale kaarten en inventarisaties is hiervoor niet specifiek genoeg.

      De natuurtypen kunnen worden afgeleid uit het meest recente natuurbeheerplan waarin natuurbeheertypen zijn weergegeven. De natuur(beheer)typen dienen echter in het veld te worden gecheckt (type en kwaliteit). Om een eerste indruk te verkrijgen van kwaliteit van de betreffende natuur(beheer) typen kan gebruik gemaakt worden van de “webviewer karteersoorten”, Deze kaart geeft een beeld van de aantallen beschermde en bedreigde soorten en soorten gekoppeld aan de kwaliteit van het biotoop. De dichtheid aan soorten (aantal soorten per hok) geeft een indicatie voor de aanwezige natuurkwaliteit.

      Voor het in beeld brengen van de potenties kan gebruik gemaakt worden van de ambitiekaarten (klik op de kaart om de ambities op een locatie te vinden) de  algemene ambities die zijn opgenomen in zie tabel 1 van het meest recente natuurbeheerplan. Het feit dat er geen ambitie op kaart is weergegeven betekent niet dat er geen potenties en ambities zijn.

      Let op: in geval van ingesloten functies hoeft er alleen gekeken te worden naar de actuele waarden (zie toelichting).

      Er liggen ook percelen in het NNN die permanent agrarisch blijven. Ze zijn als agrarisch perceel echter blijvend van belang om het NNN goed te laten functioneren. Daarom moet de ecoloog de waarden van het ecosysteem toetsen aan de ambities voor agrarische natuur die voor deze percelen gelden. Deze percelen zijn in het Natuurbeheerplan te vinden, omdat er alleen agrarische natuurdoelen voor gelden.

      Let op: breng bij de beoordeling alle effecten in beeld. Denk hierbij bijvoorbeeld ook aan de effecten van een woonwijk op de naastgelegen natuur, zoals verstoring door inloop van mensen en huisdieren.

       

    • De robuustheid en aaneengeslotenheid van het NNN

      Dit criterium is niet vastgelegd op kaarten en zal door een deskundige in beeld moeten worden gebracht. Robuustheid hangt af van omvang, kwaliteit en versnippering van een gebied en heeft overlap met de criteria “verbindingen” en “samenhang”.

      Het effect van een ruimtelijke ontwikkeling op dit aspect hangt af van de aard daarvan in relatie tot de specifieke locatie. Grote eenheden in de NNN moeten groot blijven. Maar het is ook belangrijk dat natuur die al versnipperd is, niet verder versnippert. Bij een ontwikkeling op een kwetsbare plek, zoals een corridor naar een ecoduct, is eerder sprake van significante aantasting.

      In dit aspect zitten zowel absolute als relatieve elementen.Absoluut in de zin dat een oppervlakte kleiner dan 200 vierkante meter vaak niet gezien wordt als significant, terwijl een verlies van 1 hectare dat eigenlijk altijd wel is. Relatief in de zin dat oppervlakteverlies van een zeldzame biotoop of in een belangrijke corridor tussen natuurgebieden eerder tot significante aantasting leidt.

    • De aanwezigheid van bijzondere soorten

      Dit toetsingsaspect heeft betrekking op bedreigde- en beschermde soorten.
      De bedreigde soorten binnen Utrecht worden aandachtsoorten genoemd.  Het zijn soorten waar de provincie zich inzet voor het behoud hiervan. Er is een lijst opgesteld met ruim 500 soorten planten en dieren. Uit de lijst van aandachtsoorten zijn 41 icoonsoorten geselecteerd: planten en dieren waar de provincie Utrecht een bijzondere betekenis voor heeft. Ze staan symbool voor de vele andere aandachtsoorten. Binnen de provincie zijn gebieden aangewezen waarvan verwacht wordt dat hier relatief veel aandachtsoorten aanwezig zijn: de Natuurparels.
      Meer informatie over icoonsoorten, aandachtsoorten en natuurparels staat in het  supplement biodiversiteit van de natuurvisie van de provincie Utrecht. Er is ook een overzicht en een kaart van aandachtsoorten beschikbaar.
      De beschermde soorten zijn de soorten die in het kader van de Wet Natuurbescherming beschermd zijn (passieve bescherming). U vindt het overzicht met beschermde soorten op in bijlage 3. De beleidsregels vanuit de wet Natuurbescherming vindt u in de beleidsnota Wet Natuurbescherming.

      Ecologisch onderzoek

      Om een eerste indruk te verkrijgen van de aanwezigheid van beschermde en bedreigde soorten kan gebruik gemaakt worden van de “webviewer karteersoorten”, Let op: karteersoorten bestaan uit beschermde- en bedreigde soorten en soorten gekoppeld aan de kwaliteit van het biotoop. De dichtheid geeft een (eerste) indicatie van de aanwezige natuurkwaliteit. Daarnaast kan gebruik gemaakt worden van de gegevens uit de NDFF en de verspreidingsatlassen. Ook bij terreinbeheerders is, ondanks dat de gegevens in principe terug te vinden zijn in de NDFF, mogelijk aanvullende informatie  beschikbaar. Op basis van deze informatie kan een ecoloog een habitatgeschiktheidsonderzoek uitvoeren waarbij er inzicht is in de mogelijk voorkomende soorten en de nog benodigde veldonderzoeken. De veldonderzoeken die in het kader van de Wet Natuurbescherming en voor de NNN moeten worden onderzocht kunnen goed worden gecombineerd. Of nader onderzoek naar bijzondere en soms lastig te onderzoeken soorten/soortgroepen moet worden uitgevoerd hangt af van de verwachte voorkomen op de betreffende locaties. Dit is aan de deskundige ecoloog nader te beoordelen.

      Ecologische beoordeling

      In het ecologische onderzoek dienen zowel de beschermde als bedreigde soorten (aandachtsoorten) in beeld te worden gebracht en de effecten van de ontwikkeling te worden bepaald. Hierbij richt de beoordeling zich op de vraag of er sprake is van significante aantasting. Significante aantasting is min of meer gelijk aan: ‘afbreuk doen aan de gunstige staat van instandhouding van de soort’ (één van de toetsingscriteria van de Wet Natuurbescherming).
      Vragen daarbij kunnen zijn:

      • Kan de soort zich op de kortere en langere termijn op de locatie handhaven?  Is er sprake van ruimtebeslag op en/of verstoring van functioneel leefgebied van de soort
      • Wat is de functie van het leefgebied van deze soort en op welke wijze wordt deze beïnvloed?
      • Blijft de habitat voor de soort voldoende van omvang en kwaliteit om de soort op lange termijn in stand te houden?
      • Wordt het natuurlijk verspreidingsgebied van die soort kleiner?

      Vooral voor bedreigde soorten zal er snel sprake zijn van een mogelijk significante aantasting doordat de soort op dit moment als zeldzaam en kwetsbaar is. Binnen het toetsingsaspect mogen effecten in principe wel worden gesaldeerd.

      Het Nee tenzij-onderzoek vrijwaart u niet de Wet Natuurbescherming na te leven (inclusief zorgplicht, gedragscode of ontheffing). Tijdens het opstellen van een bestemmingsplan moet nagegaan worden of dit plan uitvoerbaar is ten aanzien van deze wet. Bij de realisatie van ruimtelijke ontwikkelingen op grond van het bestemmingsplan kan het nodig zijn een ontheffing o.i.d. aan te vragen:

      Aanvragen voor ontheffingen en vergunningen verlopen via de website van de provincie.

       

    • De verbindingsfunctie van het gebied voor soorten en ecosystemen

      De provincie Utrecht kent geen formele verbindingszones meer. De verbindingsfunctie zal daarom moeten worden bepaald aan de hand van de lokale omstandigheden. Het aspect ‘verbindingen’ heeft allereerst te maken met regelmatige, soms dagelijkse, verplaatsingen via al dan niet vaste routes, bijvoorbeeld tussen voedsel- en rustgebieden. Maar ook met verbindingen tussen leefgebieden waardoor soorten kunnen migreren om hun leefgebied uit te breiden. Sommige verbindingen zijn nodig om het mogelijk te maken dat een passende soort in het ecosysteem voorkomt of om de genetische variatie te laten toenemen.
      Doorgaande landschappelijke structuren zijn een specifieke vorm van verbindingen. Soorten gebruiken deze voor het foerageren. Denk aan vlinders en vleermuizen, die bosranden of singels volgen.
      Verbindingen zijn nodig in natuurgebieden, tussen natuurgebieden maar ook tussen natuurgebieden en hun omgeving.

      Het is niet met getallen te bepalen of een aantasting van deze verbindingen significant is. Daarvoor is een inhoudelijk gemotiveerd oordeel nodig. Als bijvoorbeeld een smalle verbinding tussen 2 belangrijke biotopen permanent afgesloten raakt, dan zal dat een significante aantasting zijn. Dit geldt ook als een corridor naar een ecoduct of een faunapassage ongeschikt wordt voor kenmerkende soorten van het grotere ecosysteem.

      Het doorbreken van verbindingen is vaak relatief simpel te mitigeren door afrastering te verwijderen, een wegpassage te maken of een deel van het terrein in te richten als een verbindingsstrook. Gevoelige plekken goed afschermen is ook een eenvoudige maatregel.

      Met volgende kaartlagen kunt u zien of de ruimtelijke ontwikkeling in een gebied met een verbindingsfunctie ligt:

      Ecoducten en faunapassages

      Deze kaart laat de ecoducten en faunapassages in de provincie Utrecht zien. Deze verbindingen kunnen alleen goed functioneren als er voldoende rust en ruimte in de omgeving is. Hierbij moet goed gekeken worden naar de doelsoorten en de bijbehorende eisen die deze doelsoorten stellen aan de verbinding.

    Nb bij de beoordeling van bovenstaande onderdelen speelt zowel afname van oppervlakte als kwaliteit bij alle aspecten een rol.

  • Geen significante vermindering van de oppervlakte

    In de PRV is vastgelegd dat er geen sprake mag zijn van een significante vermindering van de oppervlakte van  het NNN. In beeld moet worden gebracht of er sprake is van een afname van het oppervlak van het  NNN, de oppervlakte natuur binnen de NNN en de oppervlakte bestemd als natuur of bos (of dubbelbestemming) binnen het bestemmingsplan.

    De nieuwe ontwikkeling mag niet leiden tot significante vermindering van de oppervlakte van de NNN-gebieden. Let hierbij op dat uitgegaan dient te worden van de maximale ruimte in het bestemmingsplan. Het gaat dus om de “netto” afname ten opzichte van de ruimte die het vigerende bestemmingsplan biedt voor niet natuur bestemmingen. Houdt hierbij ook rekening met verhardingen, bouwvlakken, tuinen etc.

    Niet alle ontwikkelingen leiden tot een significante aantasting van de oppervlakte. Zie: Gaat het om een kleinschalige uitbreiding van een bestaande functie?

     

  • Geen significante vermindering van de samenhang

    Dit aspect wordt in het Barro expliciet genoemd. Het bevat elementen van robuustheid, aaneengeslotenheid en verbindingen. De conclusie die de ecoloog ten aanzien van ‘behoud van samenhang’ trekt, komt normaal gesproken overeen met de conclusies bij deze andere aspecten. 

    Voor dit toetsingsaspect zijn geen specifieke kaartlagen beschikbaar. De andere kaartlagen bevatten wel informatie die met samenhang te maken heeft.

Bij een eerste analyse kan gebruik gemaakt worden van de signaleringskaartenviewer, die beschreven is in het volgende blokje in het linkermenu.

Soms wordt gedacht dat ook landschap, cultuurhistorie onderdeel vormen van de wezenlijke waarden en kenmerken. Dat is niet het geval. Deze aspecten wegen niet mee in het NNN-afweging, maar wel in ruimtelijke ordeningsafweging.

 ELST

foto: Mark van Veen

De kaarten in de Signaleringskaartenviewer bevatten informatie en hebben geen beleidsmatige status. Wel hebben we een verwijzing opgenomen naar de provinciale Natuurambitietabel zoals opgenomen in het Natuurbeheerplan. Deze tabel geeft de potentie in een deelgebied  weer met de beleidsmatige prioriteiten. 

   

Signaleringskaarten- viewerSignaleringskaartenviewer

Let op: begin februari worden de kaarten geactualiseerd.

Verzamel de beschikbare ecologische gegevens

Om te kunnen toetsen of de ontwikkeling het NNN significant aantast, moet de ecoloog beschikken over voldoende ecologische gegevens. Het gaat daarbij om informatie over de ecologische waarden, de onderliggende milieufactoren en de potenties die aanwezig zijn in het plangebied.

Wij bieden u hierbij ondersteuning met de Signaleringskaartenviewer Natuur. Dit is een online service met onder andere informatie uit de Nationale Databank Flora en Fauna. De viewer geeft informatie over de natuur op de locatie die u intekent.

De Signaleringskaartenviewer bestaat uit verschillende kaartlagen die elk verschillende soorten informatie geven. Deze informatie kunt u gebruiken om de geplande ontwikkeling te toetsen. De regel in de PRV is dat ‘de wezenlijke waarden en kenmerken niet significant aangetast mogen worden.’ In Utrecht hebben we deze waarden en kenmerken met 4 toetsingsaspecten geconcretiseerd. Zie voor de uitgebreide beschrijving het vorige blokje in het linker menu: De 4 NNN-toetsingsaspecten. Daar geven we aan welke informatie u met de Signaleringskaartenviewer kunt vinden. We hebben deze informatie zoveel mogelijk gekoppeld aan de toetsingsaspecten. De Signaleringskaartenviewer geeft alleen een indicatie van de toetsingsaspecten. Het onderzoek moet de informatie interpreteren en aanvullen, onder andere met veldonderzoek.

Beschikbare kaartlagen

  • Actuele natuurwaarden van het ecosysteem
  • Oude boskernen
  • Bedreigde Natuur-Rode lijstsoorten Flora en Fauna
  • Bedreigde Natuur-Utrechtse aandachtssoorten Flora en fauna
  • Gemiddelde hoogste grondwaterstand
  • Gemiddelde laagste grondwaterstand
  • Kwelkaart
  • Natuurambitie en abiotische randvoorwaarden
  • Faunaverbindingen
  • Natura 2000
  • Natuurnetwerk en gebiedsinformatie

Aandachtspunten en tips

  • Ga uit van het geldend bestemmingsplan

    Het vigerende bestemmingsplan moet steeds het uitgangspunt zijn in het ecologisch onderzoek. Inclusief de ruimte die dit plan biedt op basis van de binnenplanse omgevingsvergunning en uitwerking- en afwijkingsbevoegheden, etc.

  • Maak gebruik van alle beschikbare bronnen

    Maak gebruik van alle beschikbare bronnen met waarnemingen en inventarisaties (NDFF, maar ook mogelijke eerdere onderzoeken in de omgeving). Daarnaast kunnen natuurbeherende organisaties geraadpleegd worden, indien deze gronden hebben in de omgeving. Zij hebben vaak gegevens over hun gebied en kennis van de gevoeligheid van een gebied. Ook lokale natuur- en milieuverenigingen (KNNV, IVN, Vogelwacht, etc) kunnen locatie specifieke informatie hebben.

  • Onderzoek de juiste aspecten

    Het type ontwikkeling bepaalt deels de verstoringseffecten en daarmee wat er onderzocht moet worden. De locatie in het NNN en de kwaliteit daarvan bepaalt daarnaast ook wat onderzocht moet worden. Van een deskundige ecoloog mag verwacht worden dat deze de goede aspecten onderzoekt. Voorbeelden van mogelijke effecten zijn: oppervlakteverlies, verontreiniging bodem, verontreiniging water, verandering waterstromen en -peilen, verstoring door geluid of geluidstrilling, verstoring door licht, verstoring door mensen of huisdieren en verstoring door mechanische activiteiten.

  • Ga na of informatie klopt voor specifieke locatie

    We wijzen er nadrukkelijk op dat het kaartmateriaal door de wijze van verzamelen en registreren altijd min of meer globaal is. Het is daarom altijd nodig om als ecoloog na te gaan of de informatie ook van toepassing is voor de specifieke locatie. De ecoloog kan gemotiveerd afwijken van de aangegeven waardering, de doelen of andere aspecten. Voor de oriëntatiestap is minimaal een uitgebreid veldbezoek nodig, zo mogelijk in of rond de zomer.

  • Leg alle aannames vast

    Als de voorgenomen ontwikkeling nog niet concreet is uitgewerkt, dan zal de ecoloog op dit punt moeten werken met aannames. Hij kan de concrete effecten immers alleen beoordelen op basis van een concreet plan. Hij moet deze aannames expliciet vastleggen, om te voorkomen dat er uiteindelijk een plan tot stand komt met grotere of andere effecten. De ecoloog kan de initiatiefnemer natuurlijk ook helpen met het bepalen van een uitwerking die de effecten voor de natuur beperkt, maar die toch tegemoet komt aan diens wensen.  Bij deze optimalisering zal in de praktijk soms een aantal keren heen en weer worden gegaan tussen onderzoek enerzijds en Oordeel en Borging anderzijds. Uiteindelijk zal het onderzoeksrapport een bijlage vormen bij de Toelichting van het bestemmingsplan. Onderzoeksrapport en bestemmingsplan (Verbeelding, Regels en Toelichting) moeten dan één-op-één op elkaar aansluiten.

    Indien een plan onverhoopt onderwerp wordt van een beroepsprocedure bij de bestuursrechter of de Raad van State, zal blijken hoe belangrijk een goed Nee, tenzij-rapport en een goede ruimtelijke onderbouwing zijn. De gemeente zal de rechter immers moeten kunnen overtuigen, dat zij op goede gronden heeft overwogen dat de ontwikkeling niet leidt tot significante gevolgen voor het NNN.

  • Een standaardzin in de conclusie

    Een standaardzin in de conclusie van het rapport kan zijn: ‘Wij hebben de provinciale informatie over ecologische waarden en doelen gecheckt op juistheid en zo nodig aangevuld.’

  • Schat noodzaak oriënterend onderzoek in

    Gaat het om een omvangrijk project, zijn er nauwelijks ecologische gegevens beschikbaar en lijkt dit project in het NNN op het eerste gezicht niet onmogelijk, dan kan het uit oogpunt van tijd en kosten verstandig zijn het oriënterend onderzoek over te slaan en direct het uitgebreide ecologisch onderzoek uit te voeren.

  • Effectenindicatoren van Natura 2000

    De effectenindicator van Natura 2000 geeft meer inzicht in de analyse van verstoringsfactoren. De effectenindicator soorten geeft meer inzicht in de mogelijke effecten op (beschermde) soorten.

NNN natuur

Naar boven

Doe een veldbezoek

Twee aandachtspunten voor de ecoloog:

  • Check in het veld of de gegevens van de Signaleringskaarten, de NDFF en eventuele andere bronnen correct zijn. Bepaal zo nodig ook voor welk terreindeel de informatie van toepassing is.
  • Probeer in het veld een beeld te krijgen van de milieufactoren die nodig zijn om de natuurdoelen/natuurbeheertypen te kunnen realiseren. Denk aan medegebruik terrein, waterhuishouding en kwel, bodem, licht en geluid. Het kan zijn dat natuurwinst mogelijk is door het terrein op een specifieke manier in te richten of door de omstandigheden te verbeteren.

Zijn er voldoende ecologische gegevens beschikbaar?

De ecoloog heeft nu:

  • kennis over het Utrechts beleid;
  • een veldbezoek gedaan;
  • de beschikbare ecologische gegevens opgezocht;
  • een goed beeld van de voorgenomen ontwikkeling.

Op grond hiervan bepaalt de ecoloog of er voldoende ecologische gegevens zijn om een goed onderbouwd oordeel te vellen over de significante aantasting.

Aandachtspunten en tips

Uitgangspunt is dat de onderzoeksgegevens correct en betrouwbaar zijn. De volgende aandachtspunten kunnen daarbij helpen:

  • Welke verstoringseffecten onderzoeken?

    Het type ontwikkeling bepaalt deels de verstoringseffecten en daarmee wat er onderzocht moet worden. De locatie in het NNN en de kwaliteit daarvan is medebepalend. Van een deskundige ecoloog mag verwacht worden dat deze de goede aspecten onderzoekt. Voorbeelden van mogelijke effecten zijn:

    • oppervlakteverlies
    • verontreiniging bodem
    • verontreiniging water
    • verandering waterstromen en peilen
    • verstoring door geluid/trilling
    • verstoring door licht
    • verstoring door mensen/huisdieren
    • verstoring door mechanische activiteiten.
  • Kaarten bevatten globale informatie

    Let op: het kaartmateriaal bevat globale informatie. Het is daarom altijd nodig om als ecoloog na te gaan of de informatie ook van toepassing is voor de specifieke locatie. De ecoloog kan daarbij afwijken van bijvoorbeeld de aangegeven waardering of doelen als deze dit goed motiveert. Voor de oriëntatiestap is minimaal een uitgebreid veldbezoek nodig, zo mogelijk in of rond de zomer.

Ga goed na of u de beschikbare informatie hebt geraadpleegd en ook of u alle 4 de toetsingsaspecten heeft doorlopen. Heeft u ook voldoende rekening gehouden met bijvoorbeeld:

  • de verstoringseffecten op het NNN, zoals geluid en extra verkeer?
  • de kwetsbaarheid van actuele en potentiële natuur?
  • de maximale benutting die het nieuwe bestemmingsplan biedt?

Als de viewer voor die locatie geen informatie bevat, wil dat niet zeggen dat er geen waarden zijn. Het is belangrijk dat u als ecoloog altijd nagaat welke waarden en potenties op de locatie aanwezig zijn en dat u dit in de rapportage toelicht. Gebruik voor indicaties ook de bekende bronnen als NDFF, waarneming.nl!

Verricht uitgebreid onderzoek

Omdat er sprake is van ontbrekende ecologische gegevens en/of er sprake is van een ingewikkelde wisselwerking tussen het ecosysteem en de voorgenomen ontwikkeling is een uitgebreider onderzoek nodig. Dit kan het inventariseren van flora en fauna zijn op grond van de gebruikelijke inventarisatieprotocollen. Soms kan volstaan worden met een biotoopkartering om in te schatten welke soorten te verwachten zijn. Maar ook het door laten rekenen van de gevolgen op het grond- en oppervlaktewatersysteem. Soms is het nodig om ook de voorgenomen ontwikkeling nader te bestuderen omdat er grote verschillen kunnen zitten tussen de verschillende ontwerpen, die mogelijk zijn. Probeer dus zo compleet mogelijk te zijn. Hou er daarbij altijd rekening mee dat er tegenstanders van een ontwikkeling zijn, die tot in detail tekortkomingen in de onderbouwing boven kunnen halen. En dat ze daar de gemeenteraad of de rechter op zullen wijzen.

NNN natuur

Bepaal het eerste oordeel: dreigt significante aantasting?

Hiervoor is vastgesteld, al dan niet via uitgebreid veldonderzoek, dat er voldoende informatie is om een oordeel te vellen. In dat oordeel de omvang van de aantasting  vastgesteld worden en beoordeeld worden of deze aantasting significant kan zijn.

Is rekening gehouden met eventuele bijzondere criteria?
Aan het einde van onderdeel ORIËNTATIE is vastgesteld of het onderzoek met de standaardcriteria of met bijzondere criteria toegepast moet worden. Het gaat om de bijzondere situaties:

  • een agrarische ontwikkeling op bestaand agrarisch bedrijf;
  • een intensivering van een bestaande functie binnen het daartoe bestemde vlak (ingesloten functie);
  • een recreatieve toegangspoort;
  • een groot project met diverse samenhangende onderdelen;
  • lopende, specifiek genoemde gebiedsprojecten (Binnenveld en Hart van de Heuvelrug)

In deze NNN-wijzer gebruiken we de term ‘significante aantasting’ om aan te geven dat de aantasting van ecologische waarden en kenmerken in een gebied ‘van betekenis’ zijn. In de provincie Utrecht wordt op grond van 3 toetsingscriteria bepaald of sprake is van significante aantasting.

In principe is er sprake van significante aantasting als de doelstellingen mogelijk niet behaald worden. Voor de toetsingscriteria staan deze doelstellingen echter niet expliciet omschreven. Dat betekent dat er een deskundigenoordeel geveld moet worden waarbij (behoud of ontwikkeldoelstellingen) en gunstige staat van instandhouding (in geval van soorten) betrokken dienen te worden. Maar in zijn algemeenheid is te stellen dat een aantasting eerder significant is als:

  • de oppervlakte die wordt aangetast groter is;
  • de aantasting ingrijpender is (bijvoorbeeld een sterkere grondwaterstandsdaling of een bredere strook asfalt met meer autoverkeer);
  • het type natuur (beheertype) zeldzamer is (nationaal en provinciaal);
  • de natuur ouder is;
  • het type natuur moeilijker te vervangen is;
  • de natuur van hogere kwaliteit of beter ontwikkeld is;
  • er een groter potentieel aan zeldzamere of hogere kwaliteit natuur is;
  • de ecologische verbinding tussen natuurterreinen verslechtert;
  • de soorten die te lijden hebben zeldzamer zijn of een negatieve trend vertonen (bijvoorbeeld soorten die we graag willen behouden en die op de rode lijsten en oranje lijsten staan);
  • het aantal individuen van soorten dat te lijden heeft, groter is (in verhouding tot de zeldzaamheid en de trend);
  • de resterende oppervlakte te klein wordt voor een duurzame populatie van de soorten.

Jurisprudentie over wat onder significante aantasting in Utrecht verstaan wordt, is er vrijwel niet. Wel over aantastingen elders in het land en over andere wetgeving waarin de term ‘significante aantasting’ gebruikt wordt.

Aandachtspunten

  • Geen absolute uitspraak

    Regelmatig komt in de jurisprudentie de formulering ‘… kan significante aantasting niet uitgesloten worden’ voor. Dit duidt erop dat er geen absolute uitspraken mogelijk zijn over de ingewikkelde relatie tussen de voorziene ontwikkeling en de actuele en potentiële waarden van de natuur.

  • Internationaal of lokaal?

    Het oordeel moet gebaseerd zijn op internationaal, landelijk, regionaal én lokaal niveau. Een voorbeeld is de aantasting van een bestaand vochtig heideterreintje in de Gelderse vallei. De internationale waarde is niet hoog en ook op landelijk niveau is het type heide niet heel zeldzaam. Maar in Utrecht vinden we dat er onvoldoende oppervlakte heide is (zie onder andere de tabel in het Natuurbeheerplan 2018 met de prioritaire beheertypen), zeker de vochtige typen. En op regionaal en lokaal niveau is het terreintje onderdeel van een heel bijzonder en intact kwelsysteem waar het een onlosmakelijk onderdeel van uitmaakt. De conclusie moet dan zijn dat ook een kleine aantasting al snel significant is.

    De neiging bestaat om oppervlakteverlies van beheertypen die in de omgeving in ruime mate aanwezig zijn, niet significant te noemen. Omdat dit terrein tot het NNN behoort, moet er vanuit gegaan worden dat verlies van oppervlakte een zekere aantasting is. Of die significant is, moet de deskundige nader bepalen.

  • Korte of lange termijn.

    Soms kan een ontwikkeling op korte termijn een significante aantasting van actuele en potentiële waarden opleveren, maar op lange termijn niet. Het laatste moet dan de doorslag geven. Voorwaarde is dan natuurlijk wel dat die langetermijnontwikkeling is zekergesteld. Een voorbeeld is het bouwen van een ecoduct over een snelweg, waarbij de beide oplopen in de vorm van grondophoging naar het ecoduct leiden tot het verlies van 2 hectare potentieel waardevol bos.

  • Negatieve effecten optellen

    Negatieve effecten moeten bij elkaar opgeteld worden voordat er een oordeel mogelijk is.

    Is op één onderdeel sprake van significante aantasting, dan moet het algehele oordeel ook zo luiden.

  • Rekening houden met onduidelijkheden

    De exacte wezenlijke waarden en kenmerken ter plaatse kunnen onduidelijk zijn. Het kan ook structureel onduidelijk zijn hoe de ecosystemen daar functioneren of er ontbreekt kennis op onderdelen van het systeem. De ecoloog moet bij het trekken van conclusies dus rekening houden met onzekerheidsmarges, die per situatie anders kunnen zijn. Als er bijvoorbeeld een soort niet is aangetroffen, maar wel te verwachten is, dan is het gewenst om met deze soort rekening te houden in de beoordeling.

  • Ambities reëel inschatten

    Het is bijvoorbeeld reëel om in de toekomst een edelhert op de Utrechtse Heuvelrug aan te treffen. Daar worden veel ecoducten gebouwd en het faunabeleid staat deze diersoort toe. Maar naar Amelisweerd komt het dier niet, want het past niet in het beleid en het is er veel te klein en te druk.

  • Kwaliteit in ruil voor kwantiteit?

    Bij compensatie wordt het verlies van kwaliteit ‘vergoedt’ in de vorm van een oppervlaktetoeslag. Dit is ook mogelijk bij het beoordelen op significante aantasting. Het wordt dan meegenomen binnen de beoordeling van het onderdeel wezenlijke kenmerken en waarden. Echter beperkt want significante vermindering van oppervlakte blijft ook een zelfstandig te toetsen aspect conform het Barro, titel 2.10 NNN en de provinciale verordening.

Naar boven

Wordt via aanpassing van het plan significante aantasting voorkomen?

Als de conclusie op basis de ecologische toets is dat het risico op significante aantasting groot is, dan is de eerste vraag of het plan kan worden aangepast om tot een ander oordeel te komen. Bijvoorbeeld door het plan te verplaatsen naar een andere locatie of door het anders vorm te geven.

ISVW

Leg onderbouwing vast en borg

De ecoloog heeft vastgesteld dat de nieuwe ontwikkeling geen significante aantasting van de wezenlijke waarden en kenmerken veroorzaakt. U kunt door naar het onderdeel Besluitvorming gemeente.

Voor het vervolg is het essentieel dat de conclusie van het ecologisch onderzoek, en een uitgebreide onderbouwing daarvan, goed vastgelegd worden. Dit geldt ook voor de aannames en voorwaarden die tot deze conclusie leiden. Deze aannames zullen het uitgangspunt zijn van het ruimtelijk plan waarin de ontwikkeling wordt ingepast. In de volgende onderdelen is deze informatie nodig om dit goed te kunnen borgen in de ruimtelijke ordeningsprocedure. Besteed daarom veel aandacht aan de goede vastlegging.

Wordt significante aantasting voorkomen met toepassing van 'Plussen & minnen', 'Herbegrenzing' of 'Saldobenadering'?

Bij toepassing van dit instrumentarium is het van belang om in een zo vroeg mogelijk stadium vast te stellen wat de kansen en belemmeringen zijn binnen het project en dit bij voorkeur in een visie op natuur vast te leggen. Werk hierbij van grof naar fijn en loop daarbij de verschillende toetsingsaspecten langs:  liggen er kansen voor versterken van verbindingen, kansen voor versterken leefgebied (aandacht)soorten, kansen voor versterken robuustheid en samenhang? Bekijk daarbij ook het beperken van belemmeringen. Uiteindelijk mondt dit uit in een natuurinclusief en integraal ontwerp dat ruimtelijk vastgelegd wordt in een bestemmingsplan.

Let er op dat de bestemmingen en regels borging bieden voor de natuurplussen in het ontwerp.

  • Plussen en minnen

    Deze methode wordt in de provincie Utrecht het meest toegepast. Hierbij worden in hetzelfde project voldoende onderdelen opgenomen die natuurwinst opleveren. Het is daarbij belangrijk dat de natuurkwaliteit (en de natuuroppervlakte en samenhang) gelijktijdig met de ruimtelijke ontwikkeling minstens evenredig ‘meegroeit’. Op basis van de combinatie van positieve en negatieve effecten van het plan als geheel kan de conclusie dan zijn dat er geen sprake is van significante aantasting. Hierbij mag de oppervlakte NNN, de natuurkwaliteit (wezenlijke kenmerken en waarden) en de samenhang ook onafhankelijk van elkaar niet afnemen.

    Om te bepalen welke plussen voor een bepaalde locatie in aanmerking komen (voldoende “natuurwinst” opleveren) is het zinvol om een visie op natuur op te stellen waarbij versterking van de waarden, potenties, leefgebied van soorten, mogelijkheden voor versterken robuustheid, samenhang en verbindingen in beeld worden gebracht. Om voldoende zicht op de mogelijkheden te krijgen werk van grof naar fijn en van regionaal naar lokaal. Sluit met de plussen zo goed mogelijk aan op de kansen die uit een dergelijke visie naar voren komen.

    Essentieel is dat de natuurontwikkeling net zo zeker is als de ontwikkeling van andere functies. Hoe u dit goed kunt borgen, vindt u in het onderdeel Borging.
     

    Aandachtspunten voor plussen en minnen
    • Vaak gaat het om 1 project met 1 of enkele grondeigenaren.
    • De te benoemen plussen en minnen moeten gebaseerd zijn op de toetsingscriteria van de provincie Utrecht. Het gaat hierbij om de wezenlijke kenmerken en waarden, oppervlakte en de samenhang.
    • Plussen en minnen zijn vaak verschillend van aard, dus niet eenvoudig met elkaar te verrekenen. Daarom zal de ecoloog voor een overtuigende onderbouwing in het rapport moeten zorgen. Bij de beoordeling moet worden voldaan aan de PRV; dat betekent dat er per saldo geen sprake is van significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden is, er geen sprake mag zijn van een significante vermindering van de oppervlakte natuur en geen sprake is van een significante aantasting van de samenhang van gebieden.
    • Het is niet mogelijk om achterstallig onderhoud of slecht onderhoud ‘in te halen’ en vervolgens als ‘plus’ mee te tellen. Denk bijvoorbeeld aan afval opruimen of de Amerikaanse vogelkers verwijderen. Ook de toezegging om goed te beheren, mag niet als ‘plus’ tellen. Soms is het wel mogelijk om de verwijdering van langjarig aanwezige niet-legale bebouwing mee te tellen. Dit kan bijvoorbeeld als de gemeente hier nooit op gehandhaafd heeft en het onder het overgangsrecht valt.
    • Maatregelen waarvoor een overheidsbijdrage wordt verleend, tellen niet mee als ‘plus’. Als een eigen bijdrage van de initiatiefnemer nodig is, kan een deel als ‘plus’ meetellen.
    • De plussen moeten langdurig te borgen zijn. Het gaat om duurzame maatregelen die gelijktijdig uit te voeren zijn. Een voorbeeld is, een oppervlakte na het slopen van een gebouw als natuur te bestemmen of via een voorwaardelijke verplichting in de regels van het bestemmingsplan vast te leggen. Een voorbeeld dat niet te borgen is, is het handhaven van een bos op een locatie met een woonbestemming. Het is dan beter het bestemmingsvlak voor wonen te verkleinen of het bos ook echt als bos of natuur te bestemmen.
    • Het moet volledig zeker zijn dat de initiatiefnemer de ontwikkeling adequaat gaat beheren.
    • De plussen moeten in principe binnen of direct aan de ontwikkeling grenzen, als onderdeel van het natuurgebied dat wordt aangetast (dus bijvoorbeeld niet door wegen daarvan gescheiden).
    • De plussen liggen in principe binnen de plangrens. Plussen buiten de plangrens zijn niet op voorhand uitgesloten mits deze passen in een integrale beoordeling. Risico is echter dat de rechter deze plussen als compensatie beoordeeld (en dus groot openbaar belang en alternatieven moeten worden aangetoond).

     

    • Beschrijft het bestemmingsplan meerdere losse ontwikkelingen, zoals in een plan Landelijk gebied? Dan is per ontwikkeling een toets nodig of er sprake is van significante aantasting. Als er meerdere projecten én hun plussen bij elkaar gevoegd worden, is de saldobenadering een beter instrument.
    • Gebruik niet de termen ‘mitigeren’ en ‘compenseren’, want als u deze term gebruikt in verband met plussen en minnen, kan dit bij de rechter tot verwarring leiden. De rechter neemt dan namelijk aan dat van compenseren pas sprake kan zijn als aangetoond is dat er een groot openbaar belang is en dat reële alternatieven ontbreken.
    • Recreatieve toegangspoorten naar natuurgebieden kunnen op grond van een gebiedsvisie intensiever worden gebruikt. Voorwaarde is dat dit gebruik opweegt tegen de ecologische winst van een goede recreatieve zonering in het achterliggende natuurgebied. Zie ook de tekst in de PRV.
    • Afschermende maatregelen zijn vaak een noodzakelijk onderdeel om negatieve effecten van bijvoorbeeld een woonwijk te mitigeren. Deze maatregelen komen binnen het ontwikkingsgebied (en niet binnen bestaande natuur).

    Meer informatie over de natuurpuntenberekening:

  • Saldobenadering

    e saldobenadering lijkt op het plussen en minnen, maar is veel grootschaliger en er zijn meestal meer functies en grondeigenaren bij betrokken. Bij de saldobenadering gaat het om een combinatie van projecten of handelingen die tevens tot doel heeft het functioneren van het NNN op gebiedsniveau per saldo te verbeteren, via het vergroten van de waarden en/of het vergroten van de reële oppervlakte aan natuur.

    In de PRV en de partiële herzieningen van de PRV zijn de formele eisen aan het instrument volgens de rijksregels in het BarroBesluit algemene regels ruimtelijke ordening. De rijksoverheid heeft regels opgesteld om de nationale ruimtelijke belangen te beschermen. Gemeenten en provincies dienen die regels nauwgezet toe te passen. beschreven. Samengevat zijn de eisen:

    1. Er ligt een integrale gebiedsvisie voor een samenhangend gebied in een gezamenlijk ruimtelijk plan. De visie voorziet in een combinatie van ontwikkelingen.
    2. Saldobenadering biedt per saldo meerwaarde voor de natuur, vooral voor het functioneren van het NNN op gebiedsniveau. De wezenlijke waarden en kenmerken, de oppervlakte en de samenhang zijn daarbij de toetsingscriteria.
    3. De wijze waarop de natuurwinst bereikt wordt, is goed geborgd en duurzaam in stand gehouden.
    4. De oppervlakte, samenhang en de kwaliteit van de natuur moeten gelijk blijven of toenemen. Per saldo is er sprake van een verbetering van het functioneren van het NNN (op gebiedsniveau
    Integrale gebiedsvisie

    Voor toepassing van de saldobenadering moet er een duidelijke onderlinge samenhang zijn tussen de betreffende plannen, projecten of handelingen. Deze ruimtelijke samenhang wordt verwoord in de toelichting van het ruimtelijk besluit of, indien de ruimtelijke samenhang zich over meer dan één ruimtelijk besluit uitstrekt, in een document (gebiedsvisie) dat de samenhang tussen de betrokken plangebieden beschrijft. Tevens moet worden toegelicht hoe de ontwikkelingen worden gerealiseerd en hoe deze worden geborgd. Een visie op natuur, waarin ook de omliggende natuurwaarden worden betrokken maakt integraal onderdeel uit van de gebiedsvisie. In deze visie worden de wezenlijke kenmerken en waarden (met als onderdeel: actuele en potentiele waarden, verbindingen, robuustheid en bijzondere soorten) betrokken (in het plangebied zelf en in relatie tot de omgeving). Let op dat de ontwikkelingen niet leiden tot negatieve effecten buiten de grenzen van de gebiedsvisie.

    Aandachtspunt

    Het is belangrijk dat u zowel de kwaliteit (actueel en potentieel) als de kwantiteit berekent. De kwantiteit moet u uitdrukken in netto oppervlakten. Daarbij telt alleen de oppervlakte in het NNN.

    Zie verder ook de aandachtspunten bij plussen en minnen.

    Een uitwerking ter illustratie (fictief!):

    KwaliteitActuele waarde systeemOude boskern Natuur-ambtieAaneengesloten/ robuustEnz.
    Nieuwe woning-0---
    Sloop kas00++
    Aanleg faunapassage00++
    Oppervlakte in m2Toename afname samen
    Nieuwe woning met tuin-1000- 1000
    Sloop kas5000 0+ 5000
    Aanleg faunapassage000
    totaal + 4000

    Zoals uit bovenstaande (voorbeeld)tabellen blijkt is er een positief saldo van 0,4 ha aan natuuroppervlakte. Maar de locatie van de nieuwe woning leidt door de ligging midden in het beekdal tot grote problemen met de waterhuishouding. Daardoor zijn de natuurambities in een veel groter deel van het dal niet langer haalbaar. Het verdwijnen van de kas, en daardoor van de uitstraling van de verlichting op de omgeving, leidt wel tot een duidelijke verbetering, maar de negatieve effecten van de woning zijn aanmerkelijk groter. Het toevoegen van een faunapassage onder de brug van de toegangsweg over de beek levert beperkte natuurwinst op. Alles overziend is het oordeel dat in kwantiteit er een positief saldo is, maar op kwaliteit een negatief. Het laatste weegt hier zwaarder waardoor geconcludeerd moet worden dat er geen meerwaarde voor natuur en het NNN zal ontstaan.

    Voorbeelden

    De saldobenadering komt gemiddeld minder dan 1 keer per jaar voor in Utrecht. Vier voorbeelden:

    • Hart van de Heuvelrug tussen Zeist en Amersfoort. Uitruil van defensieterreinen, zorginstellingen met nieuwe natuur en woon- en werkgebieden. Hiervoor is niet één alles omvattend bestemmingsplan, maar zijn er diverse aparte bestemmingsplannen die in hun totaliteit gesaldeerd zijn.
    • Vliegveld Soesterberg. Omzetten van defensieterrein in natuur, woonwijk en nationaal defensiemuseum.
    • Ruimte voor de Lek. Omzetten van agrarisch gebied in natuur, recreatie en parkeerterrein.
    • Uiterwaarden stad Rhenen. Omzetten van agrarisch gebied in parkeerterrein, evenemententerrein, ijsbaan en natuur.

    Kijk op ruimtelijkeplannen.nl voor meer informatie over de saldobenadering die is toegepast. Deze staat vooral in de toelichting op de plannen en de bijlagen.

  • Herbegrenzing

    Herbegrenzing van het NNN is toepasbaar voor terreinen tot enkele hectares groot. Er is dan een zorgvuldige ecologische onderbouwing nodig dat herbegrenzing leidt tot een betere samenhang of een beter functioneren van het NNN. Voorwaarden zijn wel dat de wezenlijke kenmerken en waarden (waaronder de samenhang) behouden blijven en dat de oppervlakte van de ecologische hoofdstructuur ten minste gelijk blijft. Met dit instrument wijzigt de feitelijke begrenzing van het NNN. Deze beperkte wijzigingen verwerkt de provincie op basis van PRV artikel 2.4 lid 5 periodiek in de geconsolideerde versie van PRV. Bij een herijking van de PRV wordt het NNN opnieuw door PS aangewezen en vastgesteld. Naar verwachting zal dat de komende omzetting naar de Omgevingsvisie en – verordening zijn (vanwege de invoering van de Omgevingswet).

    Gaat het om Natura 2000-gebied? Dan is het instrument Herbegrenzing niet mogelijk.

    Voorbeelden

    Herbegrenzing is tot nu toe eenmaal toegepast in Utrecht in de omgeving van Botshol (gemeente De Ronde Venen). Hier is een bestaand eigendom van een natuurorganisatie omgezet wordt in een agrarisch perceel en gelijktijdig een meer aan het NNN aansluitend perceel omgezet naar natuur (en NNN).

NNN natuur

Naar boven

Is er sprake van groot openbaar belang én ontbreken reële alternatieven?

De gevraagde ontwikkeling mag niet (NEE) doorgaan als aangetoond is dat er sprake is van significante aantasting van de wezenlijke waarden en kenmerken van het NNN. Ook de instrumenten plussen en minnen, saldobenadering en herbegrenzen blijken de significante aantasting niet te kunnen voorkomen.

TENZIJ overtuigend is aan tonen dat er sprake is van groot openbaar belang én reële alternatieven voor de gevraagde ontwikkeling ontbreken. Het is dan nodig om de aantasting zoveel mogelijk in te perken en de resterende aantasting te compenseren.

Overleg met de gemeente

Om deze vraag goed te kunnen beantwoorden, is goede afstemming met de gemeente nodig. Het onderdeel Besluitvorming gemeente bevat meer informatie over het bepalen van groot openbaar belang en het ontbreken van reële alternatieven.

Groot openbaar belang zoals in de NNN toetsing dient te worden onderbouwd komt overigens niet altijd overeen met het groot openbaar belang zoals dat in de Wet Natuurbescherming wordt gehanteerd. Binnen de Wet Natuurbescherming gaat het om wettelijke belangen.

Voor Natura 2000-gebieden wordt ook gesproken over groot openbaar belang alleen hebben deze betrekking op wettelijke belangen en kunnen dus zwaarder uitpakken. In algemene zin geldt steeds dat aangetoond moet worden dat het belang op basis waarvan de natuur wordt aangetast moet opwegen tegen de mate van aantasting van de natuur. Hoe groter de mate van aantasting, hoe groter het algemeen belang moet zijn. Het blijft dus altijd een kwalitatieve afweging.

Naar boven

Zorg voor de vereiste mitigatie en compensatie. Leg onderbouwing vast en borg

Voor meer informatie over mitigatie, compensatie, onderbouwing en borgen: zie De aantasting beperken en compenseren in het onderdeel Besluitvorming gemeente.

Voor het vervolg is het essentieel dat de conclusie van het ecologisch onderzoek, en een uitgebreide onderbouwing daarvan, goed vastgelegd worden. Dit geldt ook voor de aannames en voorwaarden die tot deze conclusie leiden. In de volgende onderdelen is deze informatie nodig om dit goed te kunnen borgen in de ruimtelijke ordeningsprocedure. Besteed daarom veel aandacht aan de goede vastlegging.

NNN natuur

Het project mag niet in het NNN plaatsvinden

Volgens het ecologisch onderzoek is er sprake van significante aantasting van de wezenlijke waarden en kenmerken van het NNN. Er is daarbij geen sprake van groot openbaar belang en er zijn ook geen alternatieven voor de ontwikkeling. Dus mag de ontwikkeling in het NNN volgens PRV artikel 2.4 niet plaatsvinden. Benut eventueel aanwezige alternatieven buiten het NNN.

Groot openbaar belang zoals in de NNN toetsing dient te worden onderbouwd komt overigens niet altijd overeen met het groot openbaar belang zoals dat in de Wet Natuurbescherming wordt gehanteerd. Binnen de Wet Natuurbescherming gaat het om wettelijke belangen.

NNN natuur

foto: Melvin Redeker